
Waar psychologie, geloof en migrantenkerken elkaar ontmoeten
Nederland beschikt over een professionele geestelijke gezondheidszorg met veel kennis, behandelmethoden en specialistische expertise. Toch vindt niet iedereen even gemakkelijk de weg naar passende psychische hulp. Dat geldt in het bijzonder voor gelovige mensen met een migratieachtergrond. Zij bewegen zich vaak tussen verschillende werelden. De familie, de cultuur van herkomst, de Nederlandse samenleving, de kerk en de professionele GGZ.
Als psycholoog, theoloog en predikant ontmoet ik dagelijks mensen op dat snijvlak. Mensen die niet alleen willen dat hun klachten worden behandeld, maar ook verlangen naar erkenning van wie zij zijn. Hun geloof, cultuur, taal en familiegeschiedenis zijn geen bijzaken. Ze maken deel uit van hun identiteit en daarmee ook van hun psychisch functioneren.
Tussen kerk en behandelkamer
Binnen sommige geloofsgemeenschappen rust nog altijd een taboe op psychische problemen. Depressie, angst, trauma of burn-out kunnen worden uitgelegd als een gebrek aan geloof, onvoldoende gebed of zelfs als een uitsluitend geestelijk probleem. Mensen krijgen soms de indruk dat zij sterker moeten geloven of meer moeten bidden, terwijl professionele hulp noodzakelijk kan zijn.
Maar ook aan de andere kant bestaat een blinde vlek. Binnen de reguliere GGZ krijgt het geloof van cliënten nog lang niet altijd de aandacht die het verdient. Religie en spiritualiteit worden soms beschouwd als privézaken die buiten de behandelkamer thuishoren.
Precies daartussen kan een mens klem komen te zitten.
Want wat gebeurt er wanneer een cliënt zijn psychische nood verwoordt in termen van schuld, zonde, geestelijke strijd, roeping, schaamte of zijn relatie met God, terwijl de behandelaar deze taal niet begrijpt? En wat gebeurt er wanneer iemand in de kerk vertelt over trauma of depressie, maar uitsluitend het advies krijgt om te bidden?
Dan missen beide werelden iets.
Geloof kan juist een krachtbron zijn
Onderzoek laat zien dat religie en spiritualiteit kunnen bijdragen aan zingeving, hoop, verbondenheid en veerkracht. Geloofsgemeenschappen kunnen sociale steun bieden en gebed en vertrouwen in God kunnen mensen helpen om moeilijke levensomstandigheden te dragen.
Maar geloof is niet automatisch psychisch gezond. Religie kan ook verbonden raken met angst, schuld, dwang of veroordeling. Daarom moeten we niet alleen vragen: Gelooft iemand? De belangrijkere vraag is: Hoe beleeft iemand zijn geloof?
Is God voor iemand een bron van veiligheid of angst? Geeft de geloofsgemeenschap steun of versterkt zij schaamte? Helpt het geloof iemand om verantwoordelijkheid te nemen en hulp te zoeken, of verhindert het juist de stap naar professionele zorg?
Daar kunnen psychologie, theologie en pastoraat elkaar vinden.
De psycholoog hoeft geen predikant te worden en de pastor hoeft geen psychotherapeut te worden. Wel moeten beiden hun grenzen kennen én weten wanneer de deskundigheid van de ander nodig is. Doorverwijzen is geen teken van falen. Het kan juist een daad van goede zorg en liefde zijn.
Migrantenkerken als partners
Migrantenkerken kunnen hierin een belangrijke rol spelen. Voor veel mensen zijn deze kerken veel meer dan plaatsen waar op zondag een kerkdienst wordt gehouden. Het zijn gemeenschappen waarin mensen elkaar ontmoeten, hun taal spreken, samen eten, bidden, verdriet delen en praktische steun ontvangen.
Daarom zouden migrantenkerken ook belangrijke partners kunnen zijn in de geestelijke volksgezondheid.
Binnen SKIN, Samen Kerk in Nederland, werken we onder andere via activiteiten rond mentale gezondheid aan het slaan van bruggen tussen kerken, pastors, psychologen en professionele zorg. Kerken hebben meer kennis nodig over psychische problemen, maar GGZ-professionals hebben eveneens meer kennis nodig over religie, cultuur en migratie.
Die beweging moet dus van twee kanten komen.
Ook geschiedenis doet ertoe
Een inclusieve GGZ kijkt bovendien verder dan het individu. Mensen dragen familiegeschiedenissen met zich mee, maar soms ook migratiegeschiedenis, koloniale geschiedenis, raciale ervaringen en intergenerationele pijn.
Daarom raakt ook verzoening aan mentale gezondheid. Verzoening betekent niet dat we pijnlijke geschiedenis ontkennen. Integendeel, werkelijke verzoening vraagt om waarheid, erkenning, gerechtigheid en uiteindelijk de mogelijkheid om niet voor altijd door het verleden gevangen te blijven.
Vanuit systemisch perspectief weten we dat een mens nooit volledig losstaat van zijn omgeving. Misschien moeten we die gedachte nog ruimer leren toepassen. Niet alleen kijken naar het individu en zijn gezin, maar ook naar de geschiedenis en gemeenschap waarvan iemand deel uitmaakt.
Naar een GGZ die de hele mens ziet
De GGZ van de toekomst moet daarom inclusief zijn. Niet alleen in woorden, maar in de behandelkamer, in onderzoek, in opleidingen en in beleid.
Dat betekent dat we cultuur, taal, religie en spiritualiteit niet langer als randverschijnselen beschouwen. Het betekent ook dat we kritisch blijven kijken naar wetenschappelijk onderzoek en ons afvragen wiens werkelijkheid onze meetinstrumenten eigenlijk meten.
Maar bovenal vraagt inclusieve zorg om een andere manier van kijken.
Achter iedere diagnose staat een mens. Een mens met een lichaam en psyche, maar ook met relaties, geschiedenis, cultuur, overtuigingen, hoop en (voor velen) geloof.
Ik geloof daarom in het bouwen van bruggen, tussen kerk en kliniek, tussen psychologie en theologie, tussen wetenschap en geloof.
De kerk hoeft niet bang te zijn voor professionele psychologische hulp. En de GGZ hoeft niet bang te zijn voor geloof.
Wanneer we elkaars deskundigheid serieus nemen en werkelijk naar de mens achter de klacht luisteren, kunnen we samen een taal van heling leren spreken.
Want inclusieve geestelijke gezondheidszorg begint uiteindelijk met een eenvoudige maar fundamentele vraag. Zijn wij bereid de mens werkelijk in zijn geheel te zien?